Bui Nang Phan


De winter is voorbij 

Zoals elk jaar, in de laatste dagen van april, als het tulpenseizoen in Nederland aanbreekt en de vogels vanuit de zuidelijke streken naar Nederland terugvliegen, gaan mijn gedachten terug naar de plaats waar ik geboren en getogen ben. Aan die plaats heb ik verschrikkelijke en vernederende herinneringen; een wond die na veertig jaar nog niet geheeld is. De hartverscheurende gebeurtenis die mijn volk is overkomen vond plaats op 30 april 1975, toen de communisten vanuit het noorden, na twintig jaar lang heftige oorlog gevoerd te hebben, uiteindelijk Zuid-Vietnam wisten te veroveren. De nieuwe regering voerde daarna een buitengewoon wreed beleid: er werden “heropvoedingskampen” opgezet om daarin ruim 1 miljoen militairen plus 300.000 ambtenaren en intellectuelen uit Zuid-Vietnam op te sluiten. Er werden “nieuw economische zones” aangelegd, en de stadsbewoners werden gedwongen zich daar te vestigen. Tegelijkertijd werden de bezittingen van de Zuid-Vietnamezen geconfisqueerd via specifiek op de rijken gerichte operaties en door de instelling van een nieuwe munteenheid waarbij deze mensen slechts een klein deel van hun vermogen overhielden. Het gevolg hiervan is dat miljoenen Vietnamezen hun leven gewaagd hebben in gammele bootjes om hun land te kunnen ontvluchten. Volgens de schatting van de UNHCR (United Nations High Commissioner for Refugees) zijn er honderdduizenden Vietnamezen verdronken tijdens de zoektocht naar vrijheid. Deze verschrikkelijke gebeurtenis van de 20e eeuw heeft ertoe geleid dat een groot aantal landen, waaronder Nederland, de deuren open hebben gezet om deze vluchtelingen op te vangen. In de periode 1975-1985 heeft Nederland ruim zesduizend Vietnamese bootvluchtelingen een thuis geboden. Ik behoor tot deze groep.Ik kom uit het noorden van Vietnam. Toen de communisten daar in 1954 aan de macht kwamen, evacueerde mijn familie naar het zuiden, samen met meer dan een miljoen andere Vietnamese vluchtelingen. Ik was toen vier jaar oud. In 1975, nadat de communisten Zuid-Vietnam hadden veroverd, stuurden ze mij (omdat ik officier van Zuid-Vietnam was) naar een heropvoedingskamp en in 1981 werd ik naar een landbouwwerkkamp overgebracht (wat een beetje meer vrijheid betekende). Tijdens de rit kon ik gelukkig ontsnappen en slaagde erin Saigon te bereiken. Hier zag ik kans in een klein bootje te vluchten en, na vier dagen rond te hebben gedobberd op zee, ben ik uiteindelijk gered door het schip Cap Anamur van een liefdadigheidsorganisatie.

In maart 1982 kwam ik aan in Nederland. Tegenwoordig woon ik in Nieuwegein, in de provincie Utrecht. Destijds woonden er amper Vietnamezen in de stad Utrecht. Echter, als je vlak bij een multiculturele stad woont, heb je meer kans om hogerop te komen dan in kleine dorpjes. Als een stad met inwoners van bijna alle nationaliteiten van de wereld, kent Utrecht een ruimere tolerantie. Verder bieden grote steden immigranten veel meer middelen voor integratie, veel mogelijkheden voor het ontwikkelen van hun karakter en veel kansen voor een succesvolle carrière. Mijn eerste indruk van Nederland was dat het er koud en kil was, zowel het klimaat als de mensen. Voor ons was dat wennen, want in Vietnam zijn de mensen over het algemeen vrolijk, openhartig en warm. Ze leven bovendien veel meer buiten. Daarnaast was er de heimwee, en een gevoel van machteloosheid tegenover de rest van mijn familie, die nog in Vietnam was. Vooral als je alleen binnenshuis leeft, wordt die heimwee steeds erger en langzaam maar zeker verscheurt het gevoel van nutteloosheid je vanbinnen.Ik had ooit gelezen dat het actief bezig zijn met iets je kan helpen de eenzaamheid en het isolement te doorbreken. Daarom zette ik me in de eerste jaren in voor activiteiten van de gemeenschap en voor de maatschappij, en probeerde ik de gelegenheid te creëren om gedachten en ervaringen uit te wisselen en elkaar te helpen – waarvan ik dan zelf ook weer kon profiteren. Hierdoor konden de eenzaamheid en het isolement ons niet klein krijgen. Integendeel, we zijn daardoor juist sterker geworden.

Vietnamese scouts

Van jongs af aan was ik actief als padvinder. Samen met een aantal oude scouts kwam ik in contact met Scouting Nederland met de vraag of er de mogelijkheid was om een speciale scoutinggroep op te zetten voor Vietnamese kinderen. Het landelijk bestuur vond dat een goed idee en heeft ons met hart en ziel geholpen. Naast de goedkeuring voor het oprichten van de scoutinggroep voor kinderen van Vietnamese komaf, gaf de organisatie ons toestemming voor het gebruik van haar faciliteiten voor onze training. Van de plaatselijke scoutinggroepen mochten wij de gebouwen gebruiken voor onze wekelijkse bijeenkomsten. De eenheden van toen bestaan nu niet meer, maar binnen Scouting Nederland zijn er nog steeds veel Nederlandse leiders van Vietnamese afkomst actief. Na het eerste trainingskamp voor vijfentwintig Vietnamese leiders, benoemde het landelijk bestuur een werkgroep. Alle leden kregen toen een boekje met declaratieformulieren. Wij voelden ons hierbij niet op ons gemak. De padvinderij was tot stand gekomen op vrijwillige basis en nu, in een vrij land zoals Nederland, moesten we voor al onze activiteiten ineens weer allerlei zaken ’aangeven’: wanneer, waar, hoe, met welk doel – met bewijs erbij! Even leek het erop alsof wij weer onder het communistische regime leefden. Nadat er enkele maanden geen declaraties waren ingediend, legde de leider aan ons uit dat die declaraties bedoeld waren voor onkostenvergoedingen, zodat de voortrekkers niet te veel werden belast door zelf voor allerlei onkosten te moeten opdraaien. Zelfs na deze uitleg heeft uiteindelijk niemand onkosten gedeclareerd…

Behoefte aan boeken

In de eerste jaren hadden de meesten van de Vietnamezen nog geen werk. Ze beheersten de taal nog niet goed, hadden geen hobby’s (in een oorlogssituatie hebben mensen geen hobby’s) en hadden daarom behoefte aan Vietnamese boeken en tijdschriften. Deze waren nog niet te vinden in de bibliotheken. In de VS woonden de Vietnamezen in een aantal steden in veel grotere gemeenschappen; daar waren dan ook twee Vietnamese uitgeverijen, die zich echter concentreerden op het herdrukken van boeken van vóór 1975. De oplage was niet erg groot en de boeken waren vrij prijzig. Ook de portokosten waren hoog, om nog maar niet te spreken van de geldwisselkoers en de bijbehorende provisie. Via één van mijn vrienden van toen ben ik in contact gekomen met twee uitgeverijen, die bereid bleken hun boeken naar Nederland te (laten) verschepen. Hierdoor werd Nederland een van de eerste landen waarin Vietnamezen de boeken konden kopen voor dezelfde prijs als in de VS. Later, toen het bergafwaarts ging met de verkoop van boeken, werkte ik als ‘tussenpersoon’ voor de bibliotheken in Nederland; ik hielp hen met het opzoeken van gewenste boeken, categoriseerde ze, schreef samenvattingen en leverde de voorbewerkte boeken aan aan de bibliotheken. Tegenwoordig heeft de Nederlandse Bibliotheek Dienst Biblion meer dan tweeduizend Vietnamese boektitels, die door iedereen geleend kunnen worden en per post worden toegestuurd, en er staan vijfhonderd tot duizend Vietnamese boeken in een aantal kleine bibliotheken.

Honderd keer zien is minder dan één keer echt doen

Werken is een levensbehoefte van de mens, het helpt mensen zich te ontwikkelen tot een nuttig element van de maatschappij. Echter, voor immigranten vanuit een ver land met een totaal andere cultuur is het überhaupt vinden van een baan al zeer moeilijk, laat staan het vinden van een geschikte baan. Diploma’s uit Vietnam worden hier 37 | Aangemeerd in Utrecht namelijk niet erkend. Daarbovenop vormt de taal een grote barrière. Met al mijn bereidheid en wilskracht had ik taalcursussen gevolgd, maar ik kon niet zoveel nieuwe woorden opnemen. Blijkbaar had ik geen talenknobbel. Na vierhonderd uur taalles, en ondanks het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal, kon ik mij nog steeds niet goed verstaanbaar maken. Ik betaalde altijd met biljetten van 10 en 25 gulden of nog groter – en kreeg dus steeds een hoop wisselgeld terug – omdat ik alleen met klein geld durfde te betalen (met de hulp van de caissière) als er geen andere klanten bij de balie waren.Toen ik nog op de Technische Middelbare School in Vietnam zat, hoorde ik vaak van de leraar: “Honderd keer luisteren is minder dan één keer zien, en honderd keer zien is minder dan één keer echt doen.”

Ik besloot het Nederlands te leren door… te doen. Ik gaf mij op voor de cursus Maatschappelijk Werk in de stad. In het eerste jaar snapte ik er helemaal niks van en na elke les zat ik een hele dag te worstelen met de woordenboeken, maar na drie jaar ben ik toch geslaagd, met hoge cijfers. Tijdens een vergadering van Maatschappelijk Werk in Den Haag vroeg een collega mij waarom iemand zoals ik, met een universitair opleidingsniveau, de opleiding mbo-Sociaal Dienstverlener had gedaan. Toen hoorde ik pas dat er ook hbo-cursussen Sociale Dienstverlening waren. Voor mij deed dat er toen niet zoveel meer toe, omdat ik juist door de cursus voldoende taalniveau bereikt had om verder te kunnen werken in de Nederlandse maatschappij.

Crowdfunding

Na een periode als maatschappelijk werker raakte ik mijn baan kwijt. Omdat in die tijd de Vietnamezen uit Nederland naar Parijs moesten reizen om aan Aziatische ingrediënten te komen, besloot ik een toko te gaan beginnen. Bij elkaar geraapt hadden wij echter slechts 2.000 gulden. Ik diende een aanvraag in bij de gemeente voor een startlening voor een onderneming à 25.000 gulden. Die aanvraag werd echter afgewezen en ik stuurde vervolgens een brief rond aan mensen die ik kende met de vraag om financiële hulp, onder het motto “Jouw gulden is bij ons een rijksdaalder waard”.

Het resultaat was meer dan honderd positieve reacties met de belofte voor hulp hebben we ook nog een lening gekregen van de gemeente, maar toen had die lening voor ons niet meer zoveel waarde als hij in het begin zou hebben gehad.

Onmogelijk bestaat niet

Ik ben getrouwd sinds eind 1971. Door mijn dienstplicht en door mijn verblijf in heropvoedingskampen na 1975 hadden mijn vrouw en ik nauwelijks gelegenheid gehad om tijd met elkaar door te brengen. Toen ik in het kader van de gezinshereniging in Nederland aankwam, kenden wij elkaar nauwelijks meer en verschillende gebeurtenissen en ervaringen maakten het moeilijk om weer opnieuw met elkaar te beginnen in een normale familiesfeer. Maar met onze goede wil en liefde voor elkaar hebben wij het voorvoegsel “on” uit “onmogelijk” weten te schrappen. Wij hebben nu twee zoons en twee dochters, inmiddels allemaal volwassen. Toen ik opgesloten werd in de heropvoedingskampen was onze oudste zoon nog geen twee jaar; op de dag dat ik hem weer zag in Nederland was hij al bijna tien. Hij sprak geen Vietnamees en ik sprak geen Nederlands. Zoals veel Vietnamese ouders trachtte mijn vrouw hem Nederlands te leren in de hoop dat hij geen achterstand in de klas zou krijgen, maar helaas had hij van haar incorrect Nederlands geleerd. Nu heeft hij een zeer bescheiden woordenschat in het Vietnamees, en zijn Nederlands is ook niet zo goed. Wij probeerden samen met onze vrienden deze tekortkoming te corrigeren door Vietnamese taalles aan te bieden in de weekeinden, maar het resultaat stelde teleur, want de ouders zagen weinig noodzaak en onder de kinderen was er weinig animo. In 1982 heeft de toenmalige regering geld uitgetrokken voor het programma “Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur” (OETC) en konden de kinderen ook op school Vietnamees leren. Een paar uur per week was niet veel, maar psychologisch wel erg belangrijk: de kinderen zagen het nu als een gewoon vak en waren daardoor meer gemotiveerd. Als vluchtelingen zijn wij Nederland zeer dankbaar voor de opvang en alle hulp in de eerste periode, maar naar mijn mening is het OETC-programma het meest effectief geweest. Door dit programma beheersen onze kinderen ook de Vietnamese taal en kunnen zij hun traditionele basis behouden. Het integratieproces gebeurt bij hen probleemloos en op natuurlijke wijze, zonder angst opgeslokt te worden door de maatschappij. Dit helpt de tweede generatie om te bereiken wat ze willen; iets wat wij destijds niet konden. Nederland gaat op dit moment de lente in, en voor mij is de steenkoude winter van mijn leven ook voorbijgegaan. Na drieëndertig jaar in de vrijheid van dit prachtige en vreedzame land voel ik mij gelukkig; ik ontdek telkens weer de unieke en humane kenmerken van de cultuur hier. Ik hou van dit land en beschouw het als mijn tweede vaderland. Natuurlijk ben ik mijn lieve vrouw zeer dankbaar dat zij mij al vierenveertig jaar lang op deze weg, die vele obstakels heeft gekend, vergezelt. 

Bui Nang Phan
Uit: Aangemeerd in Utrecht – Bijdrage van Vietnamese vluchtelingen

 


Cái Đình - 2015